Nederland Box 3: Belasting 36% ongerealiseerde winst slecht voor aandelen en economie
Daar is de Wet werkelijk rendement Box 3, aangenomen op 12 februari, en beoogd per 1 januari 2028 in te gaan, als de Eerste Kamer instemt. Dit is geen technische bijstelling van het belastingstelsel maar een fundamentele koerswijziging die direct nadelig uitpakt voor aandelenbeleggers en indirect voor de Nederlandse economie.
Met de invoering van een vermogensaanwasbelasting van 36% wordt niet langer alleen belasting geheven op gerealiseerde winsten, maar ook op ongerealiseerde waardestijgingen.
Wil je alle artikelen kunnen lezen en elke podcast beluisteren? Neem dan een abonnement en krijg toegang tot alle artikelen en de database met duizenden berichten.
Dat betekent dat papieren winst fiscaal wordt behandeld alsof deze daadwerkelijk is verzilverd, zelfs wanneer geen enkel aandeel is verkocht en geen enkele euro aan liquide middelen is ontvangen. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat beleggers belasting moeten betalen over tijdelijke koersstijgingen die later volledig verdwijnen.
De kern van het probleem laat zich samenvatten in de volgende punten:
- Belasting van 36% op ongerealiseerde winst, dus ook op papieren rendement
- Jaarlijkse fiscale afrekening per kalenderjaar, ongeacht het meerjarige eindresultaat
- Geen achterwaartse verliesverrekening bij latere koersdalingen
- Verliezen uitsluitend voorwaarts verrekenbaar
- Belasting verschuldigd zonder dat er daadwerkelijk is verkocht
- Liquiditeitsdruk bij sterke koersstijgingen
- Reëel risico op gedwongen verkoop van aandelen om belasting te voldoen
- Procyclische effecten die marktbewegingen kunnen versterken
- Structurele aantasting van het compounding-effect
- Verslechtering van het investeringsklimaat voor risicodragend kapitaal
De maatregel raakt daarmee de kern van kapitaalvorming. Aandelen vormen voor veel huishoudens een middel om vermogen op te bouwen voor pensioen, financiële onafhankelijkheid of bescherming tegen inflatie.
Tevens zijn aandelenmarkten een cruciale financieringsbron voor ondernemingen. Wanneer tussentijdse waardestijgingen zwaar worden belast zonder volledige symmetrie bij verliezen, verandert de risico-rendementsverhouding structureel.
Dat heeft gevolgen voor particuliere beleggers, maar ook voor bedrijven die afhankelijk zijn van risicodragend kapitaal. In die zin is deze maatregel niet alleen slecht voor aandelenbezit, maar potentieel ook schadelijk voor de bredere economische dynamiek.
Deze elementen versterken elkaar. Samen creëren zij een systeem waarin tussentijdse waardeschommelingen centraal staan, terwijl het uiteindelijke resultaat over een volledige beleggingscyclus minder relevant wordt voor de belastingheffing.
Hoe de nieuwe systematiek werkt
Vanaf 2028 wordt voor vrijwel alle financiële beleggingen jaarlijks belasting geheven over de vermogensaanwas. Dat betekent dat de Belastingdienst elk kalenderjaar afzonderlijk beoordeelt.
De waarde van het vermogen op 1 januari wordt vergeleken met de waarde op 31 december van datzelfde jaar. Ontvangen rente, dividend en andere directe inkomsten worden daarbij opgeteld. Stortingen en onttrekkingen worden gecorrigeerd zodat alleen de daadwerkelijke waardestijging in dat specifieke jaar wordt belast.
Is de waarde op 31 december hoger dan op 1 januari, dan wordt dat verschil belast tegen 36%. Het maakt daarbij niet uit of de belegger daadwerkelijk heeft verkocht. Ook volledig ongerealiseerde koerswinsten vallen onder de heffing.
Dit geldt voor een breed scala aan vermogensbestanddelen, waaronder:
- Aandelen
- Obligaties
- ETF’s en trackers
- Crypto
- Opties
- Futures
- Swaps
- Turbo’s en andere derivaten
Financiële derivaten vallen expliciet onder de vermogensaanwasbelasting. De waardeontwikkeling van een optiepositie, inclusief intrinsieke waarde en tijdswaarde, wordt meegenomen in de jaarlijkse aanwas. Futures worden dagelijks mark-to-market afgerekend, maar ook daar wordt de totale jaarontwikkeling belast. Het fiscale regime maakt geen onderscheid tussen directe aandelenbezit en blootstelling via derivaten.
Uitzonderingen gelden uitsluitend voor onroerend goed in box 3 en aandelen in startende of scale-up ondernemingen. Voor die categorieën geldt een vermogenswinstbelasting bij verkoop. Voor vrijwel alle liquide beleggingen geldt echter de jaarlijkse aanwasheffing.
Belasting papieren winst: geen volledige correctie verlies
De essentie van het probleem ligt in de asymmetrie tussen winst en verlies. Wanneer in een bepaald jaar een aanzienlijke koersstijging plaatsvindt, wordt die stijging belast tegen 36%. Wanneer in het daaropvolgende jaar een even grote daling optreedt, kan dat verlies niet worden teruggewenteld naar het voorgaande jaar. Er is geen achterwaartse verliesverrekening.
Verliezen kunnen uitsluitend voorwaarts worden verrekend met toekomstige positieve aanwas. Dat betekent dat belasting over een winstjaar verschuldigd blijft, ook wanneer de winst later volledig verdampt.
Het systeem belast dus jaar-op-jaar fluctuaties, niet het uiteindelijke nettoresultaat over meerdere jaren.
Het concrete voorbeeld inclusief vrije voet
Stel een particuliere belegger start met een vermogen van €100.000. In december 2028 stijgt de portefeuille door een sterke rally naar €200.000. De waardestijging van €100.000 is volledig ongerealiseerd. Er is niets verkocht.
Over 2028 wordt 36% belasting geheven over die vermogensaanwas. Dat betekent €36.000. Vervolgens wordt het heffingsvrije resultaat van €1.800 per persoon toegepast. Netto resteert dan circa €34.200 aan belasting.
In januari 2029 volgt een beurscrash van 50%. De portefeuille daalt terug naar €100.000. Over twee jaar bezien is er economisch geen vermogensgroei. Het vermogen staat op hetzelfde niveau als bij aanvang.
Fiscaal moet echter ruim €34.000 worden betaald over 2028. Het verlies van 2029 kan niet worden teruggewenteld naar het voorgaande jaar. De belasting over de papieren winst blijft staan.
Dit betekent dat een belegger belasting betaalt over een winst die uiteindelijk niet bestaat en mogelijk zelfs gedwongen is al eerder te verkopen om aan de belastingverplichting te voldoen.
Gedwongen verkoop en liquiditeitsdruk
Een cruciaal gevolg van deze systematiek is dus dat belasting kan ontstaan zonder dat er liquide middelen beschikbaar zijn. Wanneer het vermogen grotendeels in aandelen is belegd en er geen substantiële cashbuffer aanwezig is, kan de belegger worden geconfronteerd met een belastingaanslag die alleen kan worden voldaan door verkoop van aandelen.
Dat betekent dat er op enig moment daadwerkelijk wordt verkocht om aan de belastingverplichting te voldoen. Die verkoop vindt dan niet plaats op basis van een strategische beleggingskeuze, maar onder fiscale druk.
Dit kan leiden tot:
- Verkoop op momenten die markttechnisch ongunstig zijn
- Vermindering van lange termijn posities
- Extra neerwaartse druk bij volatiele markten
In stijgende markten bouwt zich een latente fiscale claim op. In dalende markten kan verkoop worden afgedwongen om eerdere belasting te financieren. Dat maakt het systeem potentieel procyclisch.
Effect op compounding
Compounding, het proces waarbij rendement op rendement wordt opgebouwd, is essentieel voor lange termijn vermogensgroei. Juist bij beleggingshorizons van twintig, dertig of veertig jaar is dit effect doorslaggevend.
Door jaarlijks 36% van de vermogensaanwas af te romen, wordt kapitaal voortijdig uit het groeiproces gehaald. De basis waarop toekomstig rendement wordt gegenereerd, wordt kleiner.
Over meerdere decennia kan dit leiden tot een aanzienlijk lager eindvermogen dan in een systeem waarin belasting pas bij realisatie wordt geheven.
Voor huishoudens die beleggen als aanvulling op pensioen of om financiële onafhankelijkheid te bereiken, kan dit de haalbaarheid van hun doelen substantieel verminderen.
Gevolgen voor de economie
Aandelenmarkten voorzien ondernemingen van risicodragend kapitaal. Wanneer het fiscale systeem aandelenbezit structureel zwaarder belast en volatiliteit asymmetrisch behandelt, kan dat leiden tot minder participatie van particuliere beleggers en mogelijk tot kapitaalverplaatsing naar landen waar belasting pas bij realisatie plaatsvindt.
Minder binnenlands risicokapitaal betekent minder ruimte voor investeringen, innovatie en groei. De manier waarop vermogen wordt belast, beïnvloedt gedrag.
Een systeem dat tussentijdse papieren winsten zwaar belast zonder volledige verliescompensatie, kan de bereidheid om lange termijn risico te nemen verminderen.
Conclusie
De invoering van een jaarlijkse vermogensaanwasbelasting van 36% op ongerealiseerde winsten voor vrijwel alle financiële beleggingen betekent een fundamentele verschuiving in het Nederlandse belastingstelsel.
Tijdelijke papieren winsten worden belast per kalenderjaar, terwijl latere verliezen niet symmetrisch kunnen worden teruggewenteld.
Dit kan leiden tot belasting zonder netto vermogensgroei, tot gedwongen verkoop van aandelen om belasting te betalen en tot een structurele aantasting van het compounding-effect.
Voor aandelenbeleggers vergroot dit de onzekerheid en de liquiditeitsdruk. Voor de economie betekent het een minder aantrekkelijk klimaat voor risicodragend kapitaal en een mogelijke verzwakking van de kapitaalmarkt.
De reikwijdte van deze maatregel gaat daarmee verder dan individuele belastingdruk; zij raakt de fundamenten van vermogensopbouw en economische groei.
Het wetsvoorstel is nog niet aangenomen. Het moet nog door de Eerste Kamer en "hopelijk" zullen zij hun wijsheid gebruiken om dit tegen te houden.
🔵 English version
Box 3: 36% tax on unrealized gains undermines equity ownership and harms the economy
The “Wet werkelijk rendement box 3,” adopted on 12 February 2026 and scheduled to take effect on 1 January 2028, is not a minor technical adjustment to the tax system but a fundamental shift that directly harms equity investors and indirectly weakens the Dutch economy.
With the introduction of a 36% wealth accrual tax, taxation will no longer apply solely to realized gains but also to unrealized increases in value. This means paper profits are treated as if they have been cashed out, even when no shares have been sold and no liquidity has been generated. In practice, investors may be required to pay tax on temporary price increases that later fully reverse.
This measure strikes at the core of capital formation. Equities are a primary vehicle for households to build long-term wealth for retirement, financial independence, or protection against inflation.
At the same time, equity markets are a critical source of risk capital for businesses. When interim price appreciation is heavily taxed without full symmetry in loss treatment, the risk-return balance changes structurally. This affects individual investors, but also companies that rely on long-term equity capital. In that sense, the measure is not only negative for stock ownership, but potentially damaging to the broader economic system.
The core of the problem can be summarized as follows:
- A 36% tax on unrealized gains, including paper profits
- Annual settlement per calendar year, regardless of multi-year outcomes
- No carry-back of losses when markets decline later
- Losses only offsettable against future gains
- Tax liability without any actual sale
- Liquidity pressure during strong market rallies
- Real risk of forced equity sales to pay tax
- Pro-cyclical effects that may amplify market movements
- Structural erosion of the compounding effect
- Deterioration of the investment climate for risk capital
These elements reinforce each other. Together, they create a framework in which interim price fluctuations become fiscally decisive, while the ultimate long-term result over a full investment cycle becomes secondary.
How the new system works
From 2028 onward, most financial assets will be subject to an annual wealth accrual tax. Each calendar year is assessed separately. The tax authorities compare the value of assets on 1 January with the value on 31 December of the same year. Interest, dividends, and other direct income are added. Contributions and withdrawals are adjusted to isolate the actual appreciation in that specific year.
If the value on 31 December exceeds the value on 1 January, the difference is taxed at 36%. It does not matter whether the investor has sold anything. Fully unrealized capital gains are included.
This applies broadly to:
- Shares
- Bonds
- ETFs and trackers
- Crypto assets
- Options
- Futures
- Swaps
- Turbo certificates and other derivatives
Financial derivatives are explicitly included under the wealth accrual regime. The value development of option positions, including intrinsic and time value, is part of the annual taxable accrual. Futures, settled daily on a mark-to-market basis, are likewise fully included in the yearly calculation. The tax system does not distinguish between direct share ownership and exposure through derivatives.
The only exceptions are real estate in box 3 and shares in start-ups or scale-ups, which are subject to capital gains taxation upon realization. For nearly all liquid financial assets, however, the annual accrual tax applies.
Tax on paper gains without full symmetry for losses
The structural weakness lies in the asymmetry between gains and losses. If a substantial gain occurs in one year, it is taxed at 36%. If an equivalent loss occurs in the following year, that loss cannot be carried back to offset the previous year’s taxable gain. There is no carry-back mechanism.
Losses can only be carried forward against future positive accruals. This means tax on a profitable year remains due even if that profit later disappears entirely.
The system therefore taxes year-by-year fluctuations rather than the final net outcome over multiple years.
The concrete example including the tax-free allowance
Assume a private investor starts with €100,000.
In December 2028, the portfolio doubles to €200,000 due to a strong AI-driven rally. The €100,000 gain is fully unrealized. Nothing has been sold.
For 2028, 36% tax is levied on the €100,000 accrual, resulting in €36,000. After applying the €1,800 tax-free result per person, approximately €34,200 remains payable.
In January 2029, the market declines by 50%. The portfolio falls back to €100,000.
Over two years, there is no economic gain. The investor’s wealth ends where it started.
Fiscally, however, more than €34,000 must be paid for 2028. The 2029 loss cannot be carried back. The tax on the prior paper gain remains due.
This means an investor pays tax on a profit that ultimately does not exist.
Forced selling and liquidity pressure
A critical and often underestimated consequence is that tax may arise without liquidity. If the portfolio consists primarily of equities and there is no significant cash reserve, the investor may have to sell shares to pay the tax bill.
At that point, shares are sold not for strategic reasons but under fiscal pressure.
This may lead to:
- Selling at unfavorable market moments
- Reduction of long-term positions
- Additional downward pressure during volatile markets
In rising markets, a latent tax claim builds up. In falling markets, investors may be forced to sell to finance prior tax liabilities. This introduces pro-cyclical dynamics into the market.
Impact on compounding
Compounding, the process of earning returns on accumulated returns, is essential for long-term wealth growth. Over horizons of twenty, thirty, or forty years, the compounding effect is decisive.
By taxing 36% of annual accrual, capital is removed prematurely from the growth process. The base on which future returns are generated becomes smaller. Over decades, this can materially reduce the final wealth outcome compared to a system that taxes only upon realization.
For households investing to supplement pensions or achieve financial independence, this materially weakens the long-term feasibility of those objectives.
Economic consequences
Equity markets provide companies with risk capital. When the tax system structurally penalizes equity ownership and treats volatility asymmetrically, participation by private investors may decline, and capital may shift to jurisdictions that apply realization-based taxation.
Less domestic risk capital means less room for investment, innovation, and growth. Tax systems influence behavior. A regime that heavily taxes interim paper gains without full loss symmetry may reduce the willingness to commit long-term risk capital.
Conclusion
The introduction of a 36% annual wealth accrual tax on unrealized gains for nearly all financial assets represents a fundamental shift in Dutch taxation. Temporary paper gains are taxed per calendar year, while later losses cannot be symmetrically offset through carry-back.
This can result in tax payments without net wealth growth, forced equity sales to meet tax obligations, and structural erosion of the compounding effect.
For equity investors, this increases uncertainty and liquidity pressure. For the economy, it weakens the climate for risk capital and may undermine the strength of capital markets. The scope of this measure extends far beyond individual tax burdens; it touches the foundations of long-term wealth formation and economic growth.
The bill has not yet been adopted and still needs to pass through the Senate [Eerste Kamer]. Well, "hopefully", they will use their wisdom to block it.
Disclaimer Aan de door ons opgestelde informatie kan op geen enkele wijze rechten worden ontleend. Alle door ons verstrekte informatie en analyses zijn geheel vrijblijvend. Alle consequenties van het op welke wijze dan ook toepassen van de informatie blijven volledig voor uw eigen rekening.
Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor de mogelijke gevolgen of schade die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de door ons gepubliceerde informatie. U bent zelf eindverantwoordelijk voor de beslissingen die u neemt met betrekking tot uw beleggingen.